De Spiegel van de Kompenije: Evert Zandstra en het ‘Volk zonder uren’
Een relaas van bittere nood

Het boek, dat voor het eerst verscheen in 1947, speelt zich af in de bewogen jaren tussen 1868 en 1888. Dit was een kantelpunt in de geschiedenis van de Kompenije. De grootschalige vervening liep op haar einde; de ‘Heeren van het Veen’ trokken weg en de vraag naar turf daalde spectaculair. Wat achterbleef was een bevolking die letterlijk en figuurlijk in de kou stond.
Zandstra beschrijft op indringende wijze de onvoorstelbare armoede van de turfgravers die er niet in slaagden elders een bestaan op te bouwen. Zij bleven achter langs de wijken, wonend in plaggenhutten, houten keten of zelfs in holen die ze hadden uitgegraven in de zandwallen. Het was een leven van dag tot dag, waarbij gezinnen moesten overleven op een dieet van aardappels, water en surrogaatkoffie, terwijl de kindersterfte schrikbarend hoog was.
Mensen buiten de tijd
De kracht van de roman zit in de titel: het ‘volk zonder uren’. Zandstra gebruikte deze term om de uitzichtloze situatie van de bewoners te duiden. Voor hen bestonden er geen klokken, geen werkroosters en geen afspraken met de toekomst. Wie geen werk heeft en niet weet of er morgen te eten is, leeft ‘buiten de tijd’. Het was een lethargisch bestaan van wachten en overleven, afgesneden van de rest van de maatschappij door de afgelegen ligging van de Kompenije.
Maar Zandstra bracht ook hoop in zijn verhaal door figuren als de jonge Feike. In de roman zien we hoe Feike zich, gesteund door zijn buurmeisje Jel en de sociaal bewogen grootmoeder Matsen, aan de ellende probeert te ontworstelen. Zijn ontmoeting met de beweging van Domela Nieuwenhuis geeft hem de motivatie om als propagandist de streek door te trekken en zijn volk een stem te geven. Hiermee legde Zandstra de kiem voor het sterke sociale bewustzijn en de politieke strijdvaardigheid die Jubbega en Hoornsterzwaag tot op de dag van vandaag kenmerken.
Van de boekenkast naar het podium
Dat het verhaal na bijna tachtig jaar nog steeds springlevend is, bleek uit de grootschalige theaterspektakels die het dorp op de grond zette. In het jaar 2000, bij het honderdjarig bestaan van Plaatselijk Belang, werd onder de titel Folk sûnder oeren een theatershow opgevoerd die de hele regio in vervoering bracht. Het was de eerste keer dat de vier lokale toneelverenigingen de krachten bundelden, wat leidde tot de oprichting van Stichting Ferdivedaasje.
In 2018 keerde het spektakel terug als onderdeel van Leeuwarden-Fryslân Culturele Hoofdstad. In de bossen bij De Line, onder de rook van de Derde Sluis, brachten honderden vrijwilligers de geschiedenis van hun eigen voorouders tot leven. Het was een emotionele ervaring voor zowel spelers als publiek; velen zagen hun eigen familiegeschiedenis weerspiegeld in het decor van plaggenhutten en pramen. Deze opvoeringen lieten zien dat we de armoede van vroeger niet zijn vergeten, maar dat we die juist gebruiken als fundament voor onze huidige gemeenschapszin: de ‘Mienskips kracht’.
Een blijvende erfenis
Het verhaal van het ‘volk zonder uren’ is vandaag de dag meer dan alleen een relaas van armoede; het is het ultieme bewijs van veerkracht. De wijken die ooit symbool stonden voor isolatie, vormen nu een prachtig parkachtig landschap waar we met trots doorheen fietsen en wandelen. De plaggenhutten zijn verdwenen, maar de saamhorigheid die in die hutten werd gesmeed, is gebleven.
Evert Zandstra heeft ons een spiegel voorgehouden. Als inwoners van Jubbega en Hoornsterzwaag kijken we in die spiegel en zien we niet alleen het zware verleden van onze overgrootouders, maar ook de kracht waarmee zij de weg naar de toekomst hebben gevonden. Het is een geschiedenis die we koesteren en die we met trots doorgeven aan de generaties die na ons komen.


